Insecten:
Koolwitje

Fotograaf: Daniel Feliciano, Licensie onder: GNU-licentie voor vrije documentatie

De meest voorkomende dagvlinder is het koolwitje. Hij heeft zijn naam te danken aan het voedsel van de rupsen, waar hij dan dus ook altijd in de buurt te vinden is, kool. De vlinder zelf eet nectar met zijn roltong.

Bij het leggen van de eitjes klappen de vrouwtjes de vleugels samen en leggen aan de onderkant van de koolbladeren langwerpige, gele eitjes in kleine hoopjes van zo'n 50 tot 70 stuks. In totaal worden er ongeveer 600 eitjes tegen de onderkant van het blad geplakt. Enkele dagen later sterven de vlinders. Hun levensduur bedraagt ongeveer drie tot vier weken.

Circa 14 dagen later komen de ongeveer 2 mm lange rupsen uit het ei. Ze blijven eerst in grote aantallen bij elkaar. Wanneer ze nu niet door de boeren worden verdelgd zullen ze zich over het hele veld verspreiden en zullen ze aan de koolplanten beginnen te knagen.

De rups groeit zeer snel hierdoor knapt hij meerdere keren uit zijn huid. Hij vervelt viermaal voordat hij zijn uiteindelijke grootte van 4 cm heeft bereikt. De volwassen rups is groenachtig met zwarte stippen en vlekken. Over de lengterichting heeft hij drie gele strepen. Hij heeft 13 ringen (segmenten).

De rups heeft een paar kleine voelsprieten op zijn kop en aan beide zijden zes minuscule puntogen. Met zijn kaken kan hij stukjes blad afsnijden. Ze eten vaak dagelijks tweemaal zoveel als hun eigen lichaamsgewicht en groeien daardoor zeer snel. Bovendien slaan ze reservestoffen op.

Wanneer de rups uitgegroeid is, verlaat hij het koolveld en gaat hij op zoek naar een plaats waar hij zich kan verpoppen. Daarvoor legt de rups vaak grote afstanden af. Een huis, een muurspleet of een boom kunnen geschikte plaatsen zijn.

De rups scheidt met zijn spinklieren een spinstof af waarmee hij een klein hoopje draad vormt. Hij hecht zich hier met zijn buikpoten aan vast en hij wikkelt een groot aantal draden om zijn lichaam. Daarbij buigt rups zijn voorlichaam ver naar achteren, hij maakt de draden aan zijn rechter- en linkerkant vast. Hierdoor vormt zich een gordel om de rups. Dan vindt er een 5e vervelling plaats, het chitineomhulsel scheurt open en wordt afgestroopt.

De nu tevoorschijn komende pop brengt zich direct in veiligheid, door zijn achtereind weer in het voorhanden zijnde hoopje draad te boren. De zogenoemde gordelpop heeft een hoekige gestalte, die zich naar achteren toe wigvormig toespitst. Hij is geelgroen van kleur. Door de dunne chitinelaag kan men de vormen van de vleugels, poten, zuigbuis en ogen al zien.

De pop beweegt, eet en drinkt niet. In de cocon vindt gedurende de winter de metamorfose tot vlinder plaats. De organen waren in aanleg al in de rups aanwezig en ze ontwikkelen zich nu met behulp van de vetreserves verder. Zelfs hevige kou heeft geen nadelige invloed.

In het voorjaar bevrijdt de vlinder zich uit zijn omhulsel. De vleugels hangen eerst slap naast het lichaam, de chitinedeeltjes worden langzamerhand hard. Dan vult het hele tracheeŽnstelsel (ademhalingsstelsel van insecten met kleine openingen in het achterlijf) zich met lucht en kan het koolwitje zijn weg vervolgen.

Men onderscheidt een voorjaar- en een zomergeneratie. In het voorjaar uitgekomen koolwitjes leggen hun eitjes op in het wild groeiende kruisbloemigen zoals de pinksterbloem. Ze richten geen schade aan omdat hun aantal wezenlijk kleiner is. De zomergeneratie bezet de koolvelden.

Koolwitjes komen overal ter wereld voor waar tuinen en koolvelden zijn.

 

 
Honingbij
Libellen
Lieveheersbeestje
Vlinders  
 

Contact
Disclaimer
© Copyright