Insecten:
Libellen

Fotograaf: Tim Bekaert

Er zijn op dit moment ongeveer 6000 soorten libellen bekend, de meeste hiervan leven in de tropen. Ze komen verder overal ter aarde voor, met uitzondering van de poolgebieden. Vaak zijn ze in de buurt van water te vinden, ook wel op vlakten of in struikgewas. De meeste soorten zijn langgerekt en smal. Ze hebben 4 grote doorzichtige vleugels die erg teer zijn.

Op het menu staan insecten. Deze worden in de vlucht gevangen.

Terwijl de vleugels van de grote Europese libellen een spanwijdte hebben van ongeveer 11cm, zijn er tropische soorten met een doorsnede van 20 cm. In de oertijd bestonden er echter wezenlijk grotere vormen. Ongeveer 250 miljoen jaar geleden leefde het grootste insect aller tijden, de meganeura. Deze bestond nog voor de vliegende sauriërs en is tot op de dag van vandaag in haar oervorm behouden gebleven, echter in een wat kleinere uitvoering.

Libellen kunnen onderverdeeld worden in echte libelles (zie bovenstaande foto) en waterjuffers (zie onderstaande foto). Bij de echte libellen staan de vleugels zijwaarts van het lichaam af. De voor- en achtervleugels zijn ongelijk gevormd, de achtervleugels zijn aan de basis verbreed. Waterjuffers vangen hun libel in tegenstelling tot echte libellen niet altijd in de vlucht en eten ze zelden vliegend op.

© www.gardensafari.net Bij de waterjuffers (zie bovenstaande foto) liggen de vleugels bijna helemaal tegen het achterlijf aan. Deze insecten zijn langzamer. Ze fladderen wat heen en weer in de buurt van planten of ze wachten hier op vliegen en muggen.

Libellen maken een onvolledige ontwikkeling door, dat betekend zonder verpoppingstadium. De paring vindt meestal in volle vlucht plaats. Waterjuffers zoals de beekjuffer plaatsen hun eitjes met hun legboor in plantenstelen die zich deels onder water en deels boven water bevinden. Bij de slanklibellen vliegt het mannetje tijdens het leggen van de eitjes mee, hij houdt het vrouwtje vast met de tang van zijn achterlijf.

Sommige echte libellen leggen hun eitjes eveneens met behulp van een legboor in de stengels van planten, andere laten ze in het slik van beekjes achter. Soorten, die geen legboor of angel bezitten, laten hun onderlijf in het water zakken en geven daar dan één of meerdere eitjes af. De eitjes worden omgeven door een geleiachtige massa. Bij de laatste methode vallen de eitjes vaak ten prooi aan vissen.

Gedurende het larvenstadium, dat in totaal 10 vervellingen kent, in het water kunnen de larven ademhalen doordat ze water door de endeldarm pompen. Hierdoor wordt de zogenaamde tracheekieuw (ook wel darmkieuw genoemd) van zuurstof voorzien. De larven bewegen zich voort door op ritmische wijze het water weer naar buiten te stoten.

Enkele dagen tot uren voor ze uitkomen kruipen de larven langs plantenstengels omhoog. Ze ademen niet meer in het water. De ademhalingsgaten worden boven de wateroppervlakte gebracht, het omhulsel barst geleidelijk open, eerst komt de rug tevoorschijn, dan de ogen gevolgd door de poten en uiteindelijk het achterlijf, sommige soorten hangen maar achteren zolang er nog een klein stuk van het achterlijf in het achtergebleven vel zit en trekken zich daarna in een beweging omhoog, anderen lopen gewoon uit de pop. De vleugels worden volgepompt met bloed en worden vervolgens opengevouwen om ze te laten drogen. De uiteindelijke libel of waterjuffer kan ruim drie keer zo groot zijn dan hij als larve was.

 

 
Honingbij
Libellen
Lieveheersbeestje
Vlinders  
 

Contact
Disclaimer
© Copyright