Vogels:
Papegaaiduiker

Fotograaf: Steve Deger, Licensie onder: Creative Commons Naamsvermelding-Gelijk delen 2.5

De papegaaiduiker heeft een droevig, clownachtig uiterlijk, een klein rond lichaam op korte poten en een tamelijk dikke kop met een stevige kleurrijke snavel. Qua uiterlijk zijn mannetjes en vrouwtjes gelijk, het mannetje is alleen een fractie groter dan het vrouwtje.

Het opvallendste kenmerk van de papegaaiduiker is zijn reusachtige, kleurige snavel, waaraan hij zijn Nederlandse naam te danken heeft. Het duurt 4-5 jaar, voordat de snavel bij de jonge vogels volledig is ontwikkeld.

In het voorjaar vormen zich op het snaveloppervlak felgekleurde, hoornachtige lamellen. Hierdoor lijkt de snavel groter en valt hij veel meer op. 's Winters vertonen de mondhoeken een vlezig, rood, dof, slap aanhangsel, dat later felgeel wordt. De kleur van de snavel speelt een belangrijke sociale rol, soortgenoten zien er namelijk aan dat de vogel geslachtsrijp is en, onder bepaalde omstandigheden, dat hij zich agressief zou kunnen gedragen.

Zowel bij het mannetje als bij het vrouwtje krijgt het oog in het voorjaar twee verhoornde aanhangsels. Dat boven het oog is driehoekig van vorm en doet denken aan de schmink van een clown; het bezorgde de vogel de bijnaam 'clown van de zee'.

Het dichte verenkleed is waterdicht en zorgt voor een uitstekende warmte-isolatie. Dit is een absolute noodzaak voor de papegaaiduiker, die zeven maanden per jaar op de golven leven, vaak bij temperaturen die bijna niet boven de 0░ C komen. Het winterkleed en voorjaarskleed verschillen na de jaarlijkse rui van elkaar in de kleur van de wangen, die 's winters grijs zijn en in de lente wit worden.

De vleugels zijn kort (in gesloten toestand 16,5-16,9 cm lang), smal en bedekt met talrijke veren, die elkaar ruim overlappen. De slagpennen zijn stijf en gesloten om weerstand te kunnen bieden aan de waterdruk. De vleugels zijn namelijk echte roeiorganen, waarmee de papegaaiduikers zich onder water voortbewegen. Door deze bouw moet de vogel bij het vliegen zˇ snel met de vleugels slaan, dat de vleugelslagen nauwelijks met het oog te volgen zijn. Op lage hoogte is de vlucht direct. Vliegen doet de papegaaiduiker vooral in de broedtijd, en wel heen en weer tussen de kolonie en de visgronden.

De poten van de papegaaiduiker zijn anders dan die van de andere alkachtigen. Ze zijn kort, zitten ver naar achteren aan het lichaam en zijn verantwoordelijk voor de waggelende gang van het dier op het land. In tegenstelling tot de meeste alkachtigen, die op hun hielen steunen, staat de papegaaiduiker, net als het merendeel van de vogels, op zijn tenen. De poten bezitten slechts drie voorste tenen - de grote teen ontbreekt - die door vliezen met elkaar verbonden zijn. Ze eindigen in stevige nagels, die geschikt zijn om mee te graven. De poten zijn buiten de broedtijd geel, maar in het voorjaar worden ze vermiljoen (hoogrode kleur) door een zeer sterke toestroming van bloed.

De zintuigen van de papegaaiduiker zijn, zoals bij alle vogels, op het gehoor en het gezichtsvermogen na, weinig ontwikkeld. Dit laatste is bij de papegaaiduiker onder water bijna net zo goed als erboven.

De ondersoorten
Er zijn verschillende ondersoorten, die alle met elkaar kruisen. Hoewel het alleen de grootte betreft, zijn de verschillen soms aanzienlijk en op het oog te constateren. Fratercula arctica arctica leeft op IJsland en in het midden en noorden van Noorwegen, het zuiden van Nova-Zembla, het zuidwesten van Groenland en het oosten van Noord-Amerika. Fratercula arctica grabae is kleiner. De lengte van de gesloten vleugel varieert van 15,7 tot 16,8 cm. Deze komt voor op de Britse eilanden, in Frankrijk en in Zuid-Noorwegen. Fratercula arctica naumanni is de grootste, met een gemiddelde lengte van de gesloten vleugel van 18,3 cm. Deze bewoont het oosten en noordwesten van Groenland, Spitsbergen en het noorden van Nova-Zembla.

Bijzondere kenmerken

Ogen: In het voorjaar vertoont de geslachtrijpe papegaaiduiker donker gekleurde, verhoornde uitgroeisels, waarvan er zich ÚÚn boven en ÚÚn onder het oog bevindt. Het oog is rood omrand en beschikt over een derde ooglid, het knipvlies, dat doorzichtig is. Dit opent en sluit zich van voor naar achter in een horizontale vlak. Het vlies heeft als taak het oog tijdens het duiken te beschermen.
Uitgroeisels: Bij de nadering van het broedseizoen wordt het oog toegerust met twee merkwaardige uitgroeisels. Deze uitwassen zien er vlezig uit, maar bestaan in feite uit hetzelfde hoornachtige materiaal als waaruit de nagels en de snavel zijn opgebouwd. Het bovenste plakkaat is driehoekig, terwijl dat aan de onderkant van het oog rechthoekig of vrijwel rechthoekig is. Beide dragen ze bij aan de zo karakteristieke gezichtuitdrukking van de papegaaiduiker.
Snavel: Vlak voordat de baltsperiode aanbreekt, wordt de snavel bedekt met een verhoornde schede. De levendige kleuren hiervan zijn belangrijke seksuele signalen. In de herfst raakt de hoornschede los en valt af. De snavel is dan veel kleiner, maar vertoont nog wel dezelfde, zij het veel valere, kleurtekening.
Poten: De papegaaiduiker heeft slechts drie tenen, die door zwemvliezen met elkaar zijn verbonden. Ze eindigen in korte, gebogen, sterke nagels, die dienen als graafinstrumenten. In vlucht compenseren de zwemvliezen het geringe formaat van de staart: bij het afremmen spreidt de vogel zijn poten uit om weerstand te bieden aan de lucht. Onder water hebben de poten geen taak bij de voortbeweging, die aan de vleugels wordt overgelaten, maar dienen ze om mee te sturen.


Heb je hier niet kunnen vinden wat je zocht of heb je na het lezen van de informatie nog vragen?
Stel je vraag gerust op het het forum!

Wetenschappelijke naam:
Fratercula arctica
Verspreidingsgebied:
Noordelijke kusten van de Atlantische Oceaan
Voedsel:
Vis
Lengte:
28 - 30 cm.
Gewicht:
ca 400 gram
Status:
Algemeen

Advertentie