Vogels:
Scholekster

Fotograaf: Andreas Trepte, Marburg , Licensie onder: Creative Commons Naamsvermelding-Gelijk delen 2.5

De scholekster, waarvan nog enkele ondersoorten bestaan, behoort tot de steltlopers. Men treft hem aan in kustgebieden en in de waddengebieden van Europa, daarnaast komen ze ook in Azië en Nieuw-Zeeland voor.

De scholekster is een zeer luidruchtige vogel. Wanneer er een vogel in de buurt van zijn nest komt alarmeert hij hardnekkig en achtervolgt kraaien, meeuwen en andere vogels tot deze vluchten. Toont merkwaardig gedrag meestal aan randen van territoria door in kleine groepjes (4 à 8) met naar beneden gerichte koppen opgewonden heen- en weerlopend lange trillers te laten horen.

Scholeksters eten allerlei soorten schelpdieren en wormen, maar ook insecten. De vogel kan met zijn sterke snavel de grootste mossels en kokkels open krijgen. De snavel van een scholekster is zeven tot acht centimeter lang. In principe kan de vogel dan ook zijn voedsel tot die diepte oppikken. Het zou echter te veel tijd en energie kosten om de prooien van die diepte te halen en het liefst pakt de scholekster dan ook grote prooien die minder diep liggen. Ook voor het openen van schelpen wordt vooraf nagegaan of het open hakken de moeite waard is. De snavel slijt snel door het gepik. Dagelijks groeit deze dan ook ongeveer een halve millimeter aan.

De scholekster broedt van de Noordkaap tot in het Middellandse Zeegebied. Ze broeden in duinen, in weilanden, op akkers en zelfs op daken. Ze kunnen op daken broeden omdat de jongen door de oude vogels worden gevoerd. De vogel broedt het liefst op nagenoeg kale of met kort gras begroeide open vlakten. Kwelders en schorren zijn dus ideale plekken om een nest te maken. Wat betreft de temperatuur die heerst in het gebied is hij niet erg kieskeurig. Zolang ijs ontbreekt, is het de vogel allemaal best. De Scholekster is van oorsprong een kustvogel. De laatste twintig jaar heeft hij zich aangepast aan het leven op de landbouwgronden in het binnenland.

In het winterhalfjaar trekken ze vanuit de noordelijke streken naar de Waddenzee of zuidelijker om de winter door te komen. De vogels die in het waddengebied zelf broeden overwinteren daar ook meestal. In maart vangt terugtrek aan.

Scholeksters graven een ondiep kuiltje op het strand of ze maken een nest tussen de planten op het strand. Het nest wordt soms bekleed met mos of iets dergelijks. Het vrouwtje legt 2-4 eieren, met een dag tussen de leg van elk ei. De eieren worden 24-28 dagen door beide ouders bebroed. Vervolgens komen, circa vier weken later, de kuikens ook één voor één uit. Wanneer er drie kuikens uitgekomen zijn, wordt het laatste ei niet meer uitgebroed en besteden de ouderdieren alle aandacht aan de kuikens. Ze verzorgen de kuikens bijna twee maanden lang. In die tijd leren de jongen vliegen en leggen ze een eerste vetvoorraadje aan voor de winter. De kuikens die eind augustus halen zijn in principe zelfstandig, maar krijgen zo nu en dan nog wat voedsel van hun ouders aangereikt. In oktober is de zorg voor de jongen helemaal afgelopen en gaan de ouders werken aan hun eigen vetvoorraad voor de winter. Ook gedurende het broedseizoen zullen de ouders zichzelf niet compleet uitputten voor hun jongen, ze willen fit genoeg blijven om het volgende jaar weer voor nageslacht te kunnen zorgen.




Heb je hier niet kunnen vinden wat je zocht of heb je na het lezen van de informatie nog vragen?
Stel je vraag gerust op het het forum!

Wetenschappelijke naam:
Haematopus ostralegus)
Verspreidingsgebied:
Verschillende ondersoorten in Europa, Azië, Afrika en Nieuw-Zeeland.
Voedsel:
Schelpdieren, insecten en wormen
Lengte:
Ca 43 cm.
Status:
Algemeen

Advertentie